• home
  • Onder welke voorwaarden mogen plantenresten en tarragrond op landbouwgrond worden toegepast?
Lees voor

Onder welke voorwaarden mogen plantenresten en tarragrond op landbouwgrond worden toegepast?

Het moet schoon en onverdacht zijn. Schoon betekent dat er geen vervuiling in mag zitten zoals zwerfafval. Met onverdacht wordt bedoeld dat er geen aanwijzingen mogen zijn dat het toepassen van maaisel leidt tot de verspreiding van voor het milieu gevaarlijke stoffen. Een voorbeeld van verdacht maaisel is slootmaaisel uit de directe omgeving van actieve riooloverstorten. Bermmaaisel van een berm gelegen bij een verkeerslicht van een drukke provinciale weg is een ander voorbeeld van maaisel dat niet kan worden toegepast. Het is niet schoon en onverdacht omdat waarschijnlijk is dat het bijvoorbeeld zwerfafval bevat. Tarragrond hoeft geen schone grond te zijn in de zin van het Besluit Bodemkwaliteit. Het mag echter geen toevoegingen bevatten met uitzondering van residuen anti-schuimmiddel.

De hoeveelheden die toegepast worden moeten in verhouding staan tot de oppervlakte en passen in een goede landbouwpraktijk. Dit betekent dat de hoeveelheid maaisel op het perceel maximaal overeen mag komen met de hoeveelheid maaisel die van de aangrenzende bermen en/of slootkanten te verwachten zou zijn. De vrijstelling wordt hiermee beperkt tot relatief kleine hoeveelheden maaisel. Het moet gelijkmatig worden verspreid en het mag niet significant bijdragen aan de verspreiding van nutriƫnten en zware metalen.

Hiermee wordt voorkomen dat maaisel of oogstrestanten op een hoop worden gegooid en het milieu belasten met lokale hoge concentraties nutriƫnten of zware metalen.

05-01-2010
thema milieu handhaving